Geschiedenis

Thema’s > Geschiedenis

Prehistorie
Op basis van archeologische vondsten wordt aangenomen dat reeds lang voor het agrarische neolithicum Noordwest-Europa bewoond werd door de zgn. Neanderthaler. De oudste sporen (doorgaans vuurstenen werktuigen) dateren van voor 500.000 v.C. en wijzen op een cultuur van jagers en vissers. In de buurt van Bergen (Spiennes en Mesvin) werden voorwerpen uit het Clactonien gevonden. Vuursteenindustrieën uit het laat-paleolithicum werden op verscheidene plaatsen aangetroffen, o.a. te Spiennes en te Luik (zandgroeve van Sainte-Walburge). In de grotten van o.a. Spy, Engis en Walzin (Dréhance) werden skeletten van Weichselien-Neanderthalers ontdekt. Tijdens het Solutréen waren de gewesten van het huidige België echter niet bewoonbaar. Vanaf ca. 4000 v.C. begon met het neolithicum de vestiging van de eerste landbouwdorpen met ieder naar schatting 50 tot 150 inwoners (bandkeramiek; vondsten te Rosmeer, Noord-Haspengouw). In de Kempen, de Leemstreek, de Famenne en de Maasvallei leefden van ca. 3500 tot ca. 2000 v.C. de culturen van het midden-neolithicum. Tijdens de midden-bronstijd (ca. 1500-1100 v.C.) was in Vlaanderen, de Kempen en de Leemstreek de Hilversumcultuur gevestigd, en in de late bronstijd worden de Famennegroep, de Midden-Belgische en de Vlaamse groep onderscheiden, telkens vooral aan de hand van de verschillende grafvormen. Tijdens de ijzertijd waren de Hallstatt-cultuur (700-500 v.C.) en de Keltische La Tènecultuur (vanaf 500 v.C.) overheersend. In deze periode ontstonden door wallen en grachten versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten (o.a. op de Kemmelberg). Enkele rijke krijgersgraven (o.a. te Court-Saint-Étienne en Eigenbilzen) wijzen op scherpe contrasten in levensstandaard tussen de krijgers en de gewone bevolking, die wellicht afstamde van de inheemse bevolking die bij het begin van de ijzertijd door invallende Kelten was onderworpen.

De Romeinse tijd
De Keltische Belgae werden van 57 tot 51 v.C. door Caesar onderworpen en hun gebied werd bij het Romeinse Rijk ingelijfd als een deel van Gallia. Onder keizer Augustus werd Belgica (sinds 16-13 v.C.) een administratief zelfstandige provincie van dat rijk. Tot in de eerste eeuw n.C. was de mentale weerstand van de Keltische gewesten tegen de Romeinse beschaving erg groot, en pas onder keizer Claudius, die de druïdenstand afschafte en burgerrechten verleende aan de aristocratie, trad de eigenlijke romanisatie op, terwijl de bestaande sociale structuren behouden bleven. Het feit dat de onderworpen volkeren hulptroepen moesten leveren aan het Romeinse leger, en de aanleg van de eerste grote wegen door hun gebieden werkten deze culturele omschakeling in de hand. Een andere factor die daar toe bijdroeg, was de invloed die uitging van de Romeinse kolonies te Trier en te Keulen, waar oudgedienden van de legioenen leefden in steden naar Italisch model. Deze agglomeraties (alsmede de militaire haven van Boulogne en de opslagplaats Amiens) werden anderzijds het afzetgebied bij uitstek voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Er ontstonden (vooral in de Leemstreek) grote landbouwbedrijven (villae), Tongeren, Doornik en Aarlen kregen een stedelijk karakter, vele kleinere vici (baandorpen en markt- en ambachtsplaatsen) kwamen tot bloei en de handel met Italië en de rest van Gallia werd steeds drukker. Ook de concentratie van legers aan de Rijngrens had een grote invloed op de economische ontwikkeling van deze gewesten. In het westen bestonden aan de kust vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven en werden grote kudden schapen geteeld omwille van de wol, de basis van een reeds aanzienlijke textielnijverheid. In het Kolenwoud en het Ardennenwoud werkten talrijke houthakkers en kolenbranders en tussen Samber en Maas en in de buurt van Luik nam de ijzerwinning industriële proporties aan. Tussen Luik en Aken werden zinkmijnen uitgebaat en te Doornik waren belangrijke kalksteengroeven.

Vanaf 256 staken Frankische krijgseenheden de Rijn over en trokken plunderend door heel Gallia, tot in het Iberisch Schiereiland. De meeste steden, vici en villae werden verwoest. Pas ca. 280 konden deze invallers worden verdreven, maar grote delen van de verarmde bevolking zetten de plunderingen voort, zodat een aantal steden begon met de bouw van omheiningsmuren. Een stam van de Franken, de Saliërs, bleef echter voortdurend het gebied van de grote rivieren en Toxandrië (de Kempen) infiltreren. Rome zag geen andere oplossing dan met deze Franken ca. 296 een verbond te sluiten: ze werden als foederati (verbondenen) in het Romeinse Rijk opgenomen en zouden de rijksgrens tussen de zee en Nijmegen voor Rome verdedigen. Ondertussen vestigden zij zich definitief in de Betuwe en in Toxandrië.

Vanaf ca. 297 voerde keizer Diocletianus een grondige administratieve hervorming door, waarbij Belgica werd gesplitst in Belgica Prima (in het zuidoosten) en Belgica Secunda (in het westen). Germania Inferior (in het noordoosten), dat reeds op het einde van de 1ste eeuw als volwaardige provincie van Belgica was losgemaakt, werd Germania Secunda genoemd. Ook werden de belastingen hervormd en voortaan in natura betaald. Om de invallen van over de Rijn beter te kunnen afweren werd een dynamische verdediging uitgebouwd, waarbij de troepen verder in het binnenland werden gelegerd.

De Merovingische en Karolingische periode
De Salische Franken hebben de door hen bezette gebieden tegen de invallen van andere Germaanse stammen goed verdedigd. Zelf gebruikten zij het gezagsvacuüm dat in Noord-Gallia heerste, om, mede op zoek naar betere landbouwgronden, verder naar het zuiden af te zakken en zij maakten Doornik tot de hoofdplaats van hun nieuwe rijk. Tot een van de families van de Salische Franken behoorden de Merovingen met o.m. Chlodovech I, die vanuit Doornik de basis legde van het Frankische Rijk. Nadat zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius I (511-561) en Dagobert (623-639), eenheid hadden gebracht in het rijk, werd het grondgebied sinds 639 verdeeld in Austrasië en Neustrië (de grens liep dwars door het huidige België.). De koninklijke macht werd al spoedig fictief: de hofmeiers (beheerders van koninklijke goederen) begonnen hun machtspositie te verstevigen en in 687 kon Pippijn II van Herstal de hegemonie van Austrasië over de rest van het Frankische Rijk bewerkstelligen (Slag te Tertry). In 719 liet diens bastaardzoon Karel Martel zich door de hem uitgeleverde koning Chilperik II uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische Rijk, waarna hij dit nog uitbreidde. Na de dood van koning Theodorik IV (737) oefende hij in eigen naam de koninklijke macht uit. Zijn zoon Pippijn III de Korte zette in 751 de laatste Merovingische vorst af en vestigde de dynastie van de Karolingen. De belangrijkste Karolingische vorst was Karel de Grote, die in 800 keizer werd van een christelijk Europees eenheidsrijk en zich te Aken vestigde. De macht van de Rooms-Katholieke Kerk, gevestigd sedert de kerstening onder de Merovingen (opkomst van tientallen abdijen, missiewerk van de heiligen Amandus, Hubertus, Willibrord, enz.), nam nog toe en uitte zich in grote rijkdom. Tijdens het bewind van Karel de Grote en diens opvolger, Lodewijk de Vrome (814-840), heerste een grote binnenlandse rust en bloeide de (landbouw)economie hoog op.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *