Plaatsen > Aalst
Tijdens de middeleeuwen lag Aalst aan de
'drukke' handelsweg Brugge-Keulen. De kleine nederzetting met haar haven aan de
Dender deed gouden zaken. In de late middeleeuwen was de stad omwald en had ze
vijf stadspoorten. Vandaag vind je ze enkel terug in de straatnaam van de
winkelstraten (Katte-, Molen-, Nieuw-, Pont- en Zoutstraat).
Het centrum van de handeldrijvende gemeente
was de Grote Markt. De stad kreeg, net als alle andere Vlaamse steden, zijn
portie brand, ziekte en geweld. Maar ook belangrijke gebouwen, zoals het
Schepenhuis, het Belfort en het Onze Lieve Vrouwhospitaal, werden toen
opgericht. In 1264 werd het begijnhof geopend.
Aalst verzamelde ook een heleboel kloosters:
het Capucijnenklooster, het Carmelietenklooster en het Theresianenklooster. De
wallen werden door de Fransen gesloopt in 1667. In de 18de eeuw breidde de stad
verder uit. Het zwaartepunt verschoof naar de textielindustrie. De
industrialisatie kwam pas goed op gang in 1856. Toen legde men de spoorweg
Brussel-Gent aan en werd de Dender gekanaliseerd. De vele fabriekswoningen die
je aan de rand van de stad herkent zijn een restant van deze
industrialisatiegolf. Ook priester Daens leefde in die periode. Hij vocht tegen
het onrecht dat de kleine en afhankelijke arbeiders werd aangedaan.
Na de teloorgang van de textielnijverheid kwamen geleidelijk nieuwe industrieën
tot ontwikkeling op de verschillende industrieparken. In het centrum van de stad
werken nog een paar restanten van de industrialisatie verder: Amylum en Cosyns.
Beide verwerken granen. Amylum maakt onder andere glucose en andere suikers. Het
is een internationaal bedrijf met vestigingen in Oost Europa en Noord-Frankrijk.
Cosyns verwerkt de granen tot mout.
Maar Aalst is ook een pendelaarsstad geworden.
Dagelijks pendelen duizenden mensen naar Brussel en Gent.