|
|
|
Plaatsen > Aarschot Wie Aarschot cultureel-historisch wil ontdekken, denkt in de eerste plaats aan de monumentale rijkdom van de stad. Zo kuier je langs de mooie Onze-Lieve-Vrouwekerk met haar zogenaamde ‘speklagen’, het Begijnhof met op zijn zolders het Museum voor Heemkunde en Folklore, ’s Hertogenmolens, de Sint-Rochustoren, de zuidzijde van de Grote Markt met woningen in Vlaamse neo-renaissancestijl, de Orleanstoren met mooie panorama’s over de Hagelandse vlakten… Ontdek alvast virtueel enkele mooie plekken van Aarschot. Gewoon in de menubalk aan de linkerzijde klikken op de plek waar je naartoe wil Of het allemaal eens in het echt komen ontdekken natuurlijk!Je bent meer dan welkom. Het park De O.-L.-V. der ontscheping De Kantwerkster Door de opkomst van de fabrieken verdween het ambachtelijk kantwerk uit het onderwijs en het kantklossen stierf uit in de stad. Sinds enkele jaren staat de kunst van het kantklossen weer in de belan gstelling. Vanaf 1976 bestaat in Aarschot een kantclub, de Vlasblomme. Hier worden de oude vaardigheden opnieuw aangeleerd en nieuwe creaties ontworpen. De Drossaerdepoort De Kiosk Het Kapucijnenklooster Het marktplein Centraal op het marktplein staat een oude pomp die reeds in 1710 boven een waterput werd geplaatst. De geprofileerde arduinen romp heeft een torenachtige bekroning, die met een smeedijzeren hek werd afgezet. De waterput zelf zou dateren van 1585 of vroeger. De monumentale pomp werd op 7 december 1959 beschermd en in 1972 opgeknapt in opdracht van het stadsbestuur. De zuidelijke huizenrij De wederopbouw van de huizen gebeurde in een soort Vlaamse renaissancestijl. De trapgevels en de baksteenarchitectuur zijn typerend voor de jaren 1920-1925. De meeste huizen hebben kruisramen. Wanneer boven het raam een ontlastingsboog aanwezig is, is de ruimte tussen het raam en de boog sierlijk opgevuld met tegels of bakstenen. Onder meer de noordelijke huizenrij in de Leuvensestraat werd omstreeks dezelfde periode en in een zelfde stijl opgetrokken. Sint-Rochustoren en monument voor de gesneuvelden In de 12de-13de eeuw werd het Aarschotse gasthuis gesticht. We vinden het gasthuis onder verschillende benamingen terug: het Sint-Gertrudis-, het Sint-Elisabeth- en het Sint-Jorisgasthuis (1526) en het Onze-Lieve Vrouwegasthuis (sinds 1655) . Nu wordt het meestal het Sint-Elisabethgasthuis genoemd. Over de activiteiten van de zwartzusters gedurende de drie opeenvolgende eeuwen zijn weinig bijzonderheden gekend. Het gasthuis kende een zekere bloei: omstreeks het midden van de 16de eeuw verleende het onderdak aan een veertigtal armen. De zieken moesten over een schriftelijke toestemming van de drossaard of van een van de burgemeesters van de stad beschikken, voordat zij in het gasthuis opgenomen werden. Arme reizigers konden er eten en slaapgelegenheid krijgen voor een nacht. De zusters verpleegden de besmettelijke zieken op eigen kosten in een apart gebouw. Ook de zieken die te arm waren om in hun eigen onderhoud te voorzien, konden gratis in het klooster verblijven. Op het einde van de 15de eeuw verpauperde Aarschot door het oorlogsgeweld en de pest tot een dorp. Bij de haardtelling van 1526 woonden er in het gasthuis zelfs geen zusters meer. Daarna herleefde het gasthuis en kende opnieuw een zekere bloei. In 1575 brak opnieuw een pestepidemie uit, die Aarschot verschrikkelijk teisterde. De zusters trokken tot in de verste steegjes van de stad om de aan hun lot overgelaten zieken op te zoeken en te verplegen. De ziekte spaarde niets of niemand: het grootste gedeelte van de bevolking, onder wie al de gasthuiszusters, bezweek aan de pest. Ten einde raad liet het stadsbestuur uit het gasthuis van Mechelen drie zusters komen om het verplegingswerk verder te zetten. Bij de inval van de Spanjaarden in 1578 werd de stad in brand gestoken. Van het gasthuis bleven slechts enkele zwartgeblakerde muren en een paar vetrekken over. Pas midden de 17de eeuw werd het gasthuisklooster opnieuw opgestart. De nieuwe kloostergemeenschap groeide. Uit deze periode stammen de twee zeer mooie binnenkoertjes. Aan het einde van de 17de eeuw begon een nieuwe bloeiperiode. Het klooster en het gasthuis breidden uit. In 1706 werd een grote bouwcampagne afgesloten met een nieuwe vleugel langs de huidige Gasthuisstraat. In dit gedeelte is de overbekende apotheek met zijn 17de-eeuwse meubilering gevestigd. Ondanks alle beloften werden de zusters herhaalde malen verplicht vreemde soldaten in te kwartieren. Gedurende de 18de eeuw logeerden er honderden militairen van verschillende Europese nationaliteiten. Vooral de tweede helft van de 18de eeuw kreeg de kloostergemeenschap het opnieuw erg te verduren. Meestal betaalden de buitenlandse troepen nauwelijks of niet voor hun inkwartiering. Op 3 januari 1798 schaften de revolutionairen alle kloosters af. Overal in Aarschot jaagden de Fransen de paters, zusters en begijntjes weg. Ook het gasthuis met al zijn goederen werd aangeslagen. De zusters mochten er echter blijven, maar uitsluitend om hun dienst als ziekenverzorgsters verder te zetten. Na het concordaat tussen de paus en Napoleon (1801) erkende de overheid de orde opnieuw, maar de aangeslagen goederen bleven publieke eigendom. Op 14 maart 1810 kreeg het gasthuis een reeks nieuwe statuten opgelegd. Het aantal zusters mocht voortaan twintig niet overschrijden en het ziekenhuis mocht geen pasgeborenen opnemen. Op 14 december 1810 bekrachtigde keizer Napoleon deze statuten opnieuw. Hij stond de zusters bovendien toe om weer hun geliefd geestelijk kleed te dragen. Omdat de zusters nu afhankelijk waren van de stadsoverheid, probeerden ze opnieuw hun eigen congregatie autonoom uit te bouwen. Zo werd in 1840 het burgerlijk gasthuis gebouwd en verwierven ze in 1888 een eigen bejaardentehuis met klooster in Rillaar. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 liepen de gebouwen enige schade op. De overheid liet in 1965 restauratie- en moderniseringswerken uitvoeren. Ondertussen werden een kraaminrichting (1960) en een OCMW-V-dienst voor langdurig zieken (1980) gebouwd. In de jaren 1970 verliet de congregatie van de grauwzusters, na eeuwen van liefdevolle ziekenzorg, het Aarschotse gasthuis om zich in hun klooster in Rillaar te vestigen en daar in het bejaardenhuis hun sociaal dienstbetoon verder te zetten. In 1979 besliste het stadsbestuur de pas opgerichte stedelijke bibliotheek in de kloostergebouwen onder te brengen. Vanaf mei 1999 vindt het cultureel centrum Het Gasthuis hier onderdak. Het stedelijke museum verhuist van het begijnhof naar de vroegere kraaminrichting en de bibliotheek naar de kliniek voor langdurig zieken Onze-Lieve-Vrouwekapel van het gasthuis Het orgel werd ontworpen door orgelbouwer Van Loo uit Rotselaar. De neogotische kast was een werkstuk van de Aarschotse meubelmaker E.Claessen. Aangezien dezelfde decoratieve elementen steeds weerkeren in houtsnijwerk van de orgelkast , het koorgestoelte, de preekstoel en de biechtstoelen, is het niet onwaarschijnlijk dat zij uit hetzelfde atelier afkomstig zijn. De kapel van het Aarschotse gasthuis vormt een uniek neogotisch geheel waaraan enkele van de meest vermaarde kunstenaars van die tijd meewerkten. Dit merkwaardige gebouw, waarvan het interieur nog vrijwel in zijn oorspronkelijke staat bewaard bleef, werd na het vertrek van de zusters naar Rillaar verwaarloosd. In 1998-1999 werd het monument prachtig gerestaureerd en omgetoverd tot een zaal voor podiumkosten waarbij veel aandacht werd besteed aan de eigenheid van het gebouw. ’s Hertogenmolens Vroeger
stonden er verscheidene molens aan de voormalige Waterpoort in de Lei, waar de
Demer Aarschot binnenvloeide. Bij het begin van de 16de eeuw liet
Willem de Croy de molens verplaatsen en tot een geheel samenvoegen achter het
begijnhof aan het uiteinde van de stadswallen. Op deze plaats kregen de nieuwe
’s Hertogenmolens of Grote Molens een economische, hydrografische en militaire functie. Het malen van graan en het heffen van tol waren belangrijke bronnen van inkomsten. Door de ligging van de molens, dwars over de Demer, konden ze bovendien ingeschakeld worden bij de verdediging van de stad. Het was voldoende de sluis volledig te sluiten om de stad stroomopwaarts onder water te laten lopen. Op de linkeroever (zuidzijde) kwam er een waterrad dat graan maalde. De rechteroever (noordzijde) werd voorzien van een molen met twee kleinere waterraderen: een schorsmolen voor de leerlooierijen en een moutmolen. In het centrale molenhuis zit de sluisconstructie die het waterniveau van de Demer moest regelen. Om een goed beeld te krijgen van dit eerste molencomplex moeten we stroomafwaarts die gevel bekijken. Daar zien we nog duidelijk de zware onderbouw met de speklagen, een afwisseling van bruine ijzerzandsteen en witte kalksteen, typisch voor de Demerstreek. Deze onderbouw dient als fundament voor de volledige eerste bouwfase. De overige delen met onder meer de molenaarswoning zijn later toegevoegd. Het geheel groeide uit tot een indrukwekkend, gedurfd bouwwerk met trap- en puntgevels, overkapt met natuurleien zadeldaken, uniek in West-Europa. Zoals andere delen van de stad zijn ook de ’s Hertogenmolens niet gespaard gebleven van belegeringen en verwoestingen. Dikwijls lagen delen van het gebouw gedurende verscheidene jaren in puin. Momenteel zijn er plannen om de 's Hertogenmolens in hun volle glorie te restaureren. BegijnhofAl van in het midden van de 13de eeuw was er sprake van een groep vrome vrouwen in Aarschot. Toen op het einde van de 13de eeuw de stadsmagistraat de stadswallen liet bouwen, kwam het begijnhof binnen de stadsomheining te liggen. Rond het hof werden muren, grachten en poorten opgetrokken. Een poortopening is nog zichtbaar bij ’s Hertogenmolens. In de 14de eeuw werd het begijnhof uitgebouwd tot een volwaardige instelling met eigen liefdadige en sociale stichtingen. In een oorkonde van 1302 werd voor het eerst melding gemaakt van een ziekenhuis. In de 15de – 16de eeuw had het Aarschotse begijnhof heel wat te lijden van militaire bezettingen en oorlogen. Het begijnhof werd geplunderd en ingenomen. De eerste begijntjes keerden pas in 1609 vanuit Leuven terug Vanaf 1610 werd het begijnhof in verschillende fasen weer opgebouwd en in 1763 voltooid. Slechts één vleugel uit die tijd bleef bewaard. Deze huizenrij werd geklasseerd bij koninklijk besluit van 31 juni 1936. Al de andere gebouwen die eens het grootse Aarschotse begijnhof vormden, zijn verdwenen of vernieuwd . De pas gerestaureerde begijnhofhuizen (1999) tussen de Stationsstraat en de ’s Hertogenmolens tonen nog de traditionele Brabantse bak - en zandsteenarchitectuur uit de 17de eeuw met zadeldaken en dakkapellen. De Franse overheersing schafte de kloosters af. Ook de goederen van het begijnhof werden aangeslagen en de gemeenschap werd opgeheven. Door de wet van 3 september 1800 kreeg de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen (later de Burelen van Weldadigheid, de voorloper van het OCMW) al de bezittingen onder haar beheer. De begijntjes moesten hun habijt afleggen, maar mochten op het begijnhof blijven wonen. Op 8 september 1814 kregen ze opnieuw toestemming om het kleed te dragen. Het laatste begijntje, Maria Anna Jans overleed op 24 januari 1856. De middeleeuwse inplanting en het gesloten karakter van het hof, gekenmerkt als pleintype, gingen in 1863 volledig verloren door de aanleg van een straat naar het station. Hiervoor liet het stadsbestuur de begijnhofkerk, het convent en het poorthuis afbreken. In 1910 volgde een hele rij kleinere huisjes. Op 9 mei 1944 werd het begijnhof voor de zoveelste maal verwoest, dit keer door geallieerde bombardementen. Architect Edward van Nieuwenburgh slaagde erin het besloten hof gedeeltelijk herop te bouwen (1950-1954). Bejaarde echtparen wonen nu in deze huisjes. Op de zolders van de linkervleugel, de Zeven Weeën genaamd, werd het Stedelijk Museum voor Heemkunde en Folklore ondergebracht. Het Stedelijke Museum voor Heemkunde en Folklore Orleanstoren
De toren bevindt zich op één van de hoogste punten van de streek, 52 meter boven de zeespiegel. Boven op de Orleanstoren is er een oriëntatietafel. Men heeft er een prachtig vergezicht over de Kempen. In 1990 liet het stadsbestuur de toren restaureren. Onze-Lieve-Vrouwekerk Dit
imposante gotische gebouw werd opgetrokken tussen 1337 en 1450. Het koor en de
absis met glasramen die tot aan de gewelven reiken, zijn het werk van Jacob
Piccart, een Noord-Franse architect. De namen van zijn opvolgers zijn niet
gekend. Kerk en toren zijn in drie steensoorten gebouwd: ijzerzandsteen uit
de plaatselijke steengroeven, witte kalksteen van Gobertingen en baksteen in de
witgeschilderde vulling van de gewelven. De kapiteelloze zuilen van het
kerkschip en de speklagen (afwisseling van bruine ijzerzandsteen met witte
kalksteen in horizontale lagen) van de zijmuren van het koor zijn typisch voor
de Demergotiek. De torenspits in renaissancestijl dateert van 1574.
De pas gerestaureerde kerk ontsnapte in 1914 op het nippertje aan de totale vernieling. De Duitse troepen stichtten brand in de kerk. Gelukkig werden daardoor alleen het classicistische noordportaal en de barokke afsluiting van het ernaast gelegen Heilig-Kruiskoortje vernield. Na de Eerste Wereldoorlog werd het vernielde noordportaal vervangen door het huidige neogotische en ontwierp kanunnik professor Lemaire een nieuw hoofdaltaar in zwart marmer. De Onze-Lieve-Vrouwekerk leed tenslotte ook nog zware schade door de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog. Na 1950 kreeg de kerk nieuwe moderne glasramen. De laatste grote restauratie duurde van 1971 tot 1987. Van 1200 tot 1876 bevond zich op het grasplein naast de kerk het oude kerkhof. Het Heilig-Hart-beeld dat er prijkt, stond voordien op een driehoekig pleintje bij de Van Thielenbrug tegenover de Cantorij. In 1923 werd het ter ere van het Heilig Hart van Jezus geplaatst.
|
|
|
|
Unless explicitly specified
otherwise, this page and all other pages at this site are Copyright
© 2004-2012 by
Verasec.
Use of text, images, layout, format, look, or feel of these pages,
without the written permission of the copyright holder, except as
specified in the
Copyright Notice,
is strictly prohibited.
All Rights Reserved, Verasec.
Op
Vakantieland België vindt u uitgebreide informatie over België,
het kopen of huren van een huis in België, maar ook links naar
campings in België en vakantiehuisjes in België. Steun ons en
boek uw hotels en vakantiehuisjes in België via "Vakantieland
België".
|